Twee Giraffen

Tassili n''AjjerDierenverhalen zijn zo oud als de mensheid. Ze dragen bij aan het gevoel van verwantschap tussen alle levende wezens.

Begin 2014 werd de wereld opgeschrikt door de aankondiging dat in de dierentuin van Kopenhagen een jonge giraffe zou worden afgemaakt. Hij was anderhalf jaar oud, hij heette Marius en hij paste niet in het fokprogramma dat grote dierentuinen in Europa met elkaar hebben afgespoken. Een storm van protest stak op. Enkele dierentuinen en één particulier boden aan om zich over Marius te ontfermen. Maar tevergeefs: Marius werd op een zondagochtend achter de schermen gedood met een slachtpistool.

Zijn lichaam werd vervolgens ten aanschouwe van bezoekers van de dierentuin in stukken gesneden om te worden opgevoerd aan de leeuwen van dezelfde dierentuin. Ook jonge kinderen stonden erbij. Zij keken er met afschuw naar en sommigen wendden hun gezicht af. Misschien waren ze ook gefascineerd, zoals de ouders dat kennelijk waren die hun kinderen speciaal naar het gebeuren hadden gebracht. Zo kregen zij en wij allemaal een aanschouwelijk en hardhandig lesje in hedendaags natuurbeheer. ‘Als we wetenschap ernstig nemen,’ zei directeur van de dierentuin Bengt Holst, ‘kunnen we ons niet laten leiden door gevoelens.’ Pijnlijker kon onze hedendaagse ambivalentie in de omgang met dieren bijna niet worden geillustreerd. Het scheen mij toe dat Holst ons die wilde inwrijven.

In de voorgeschiedenis hebben mensen zich van oudsher in hoge mate met andere dieren geïdentificeerd. Jagers en verzamelaars waren ervan overtuigd dat andere dieren een ziel hebben, net zoals zijzelf. Ook jonge kinderen nemen dat als vanzelfsprekend aan. Ze trekken weliswaar aan het oor van een konijn, maar ze trekken ook aan dat van hun zusje. Kinderen leren gemakkelijk dat ze konijnen en zusjes geen pijn moeten doen.

Agrariërs hebben andere dieren aan zich onderworpen en vice versa: andere dieren hebben het op een accoordje gegooid met mensen. Dat sloot wederzijds respect niet uit.

De desidentificatie van mensen van andere dieren is pas goed op gang gekomen met de monotheïstische godsdiensten, de natuurwetenschap en de industrialisering. Jodendom, christendom en islam verheven de mens boven de rest van de schepping. Natuurwetenschap bracht het mechanistisch wereldbeeld en de ontzieling van de wereld. Industrialisering bracht de bioindustrie. In de opvoeding van kinderen betekende dat een complicatie: de aanvankelijke identificatie met andere dieren moest worden afgeleerd. Tieners barsten vaak een tijdje uit in verontwaardiging en vegetarisme. Desidenitificatie kost hun moeite.

De desidentifiatie van andere dieren ging in de tijd min of meer gelijk op met de steeds bredere identificatie tussen mensen. Na veel stammentwist en na schier eindeloze oorlogen tussen dorpen, steden, stadsstaten, rijken en naties, lijken mensen te komen tot een wereldomvattend gelijkheidsgevoel. Dat proces heeft Abram de Swaan ‘identificatie in uitdijende kring’ genoemd en Siep Stuurman ‘de uitvinding van de mensheid’. In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 is de gelijkwaardigheid van mensen als moreel beginsel vastgelegd. Je zou een verband kunnen construeren: de desidentificatie van andere dieren hielp misschien mensen om zich met elkaar te identificeren. Maar nodig is dat niet. Je zou ook kunnen zeggen dat op de lange termijn beide processen in elkaars verlengde liggen, varianten zijn van de ontwikkeling van een wij-gevoel dat alle sentient beings omvat. We staan dan aan de vooravond van een hernieuwde en bredere identificatie met andere dieren. In het gunstige geval gaat de categorische imperatief van Immanuel Kant gelden voor alle dieren. ‘Behandel dieren nooit alleen als middel maar altijd ook als doel in zichzelf.’ Aan Holst lijkt deze imperatief nog niet besteed.

Dierentuinen weerspiegelen diepe ambivalenties. We houden er van andere dieren en we houden er andere dieren gevangen. Het is niet verwonderlijk dat de dierentuin in Kopenhagen het brandpunt werd van deze korte maar heftige strijd. Zowel de dierenknuffelaars als de wetenschappers zijn op rigiditeit en schrilheid te betrappen. De dierenknuffelaars schreeuwen hun verontwaardiging van de hoogste daken. Bewegingen voor dierenrechten zijn vaak radicaal en soms gewelddadig: bioindustriële bedrijven worden gesaboteerd, politici worden besmeurd, Holst werd met de dood bedreigd. Maar de dierenknuffelaars beseffen dat hun idealen selectief en ten dele onrealistisch zijn en dat ze daarin kwetsbaar zijn voor de kritiek van de wetenschappelijke natuurbeheerders.

Wetenschappelijke natuurbeheerders van hun kant zijn kil en zakelijk. ‘De natuur moet zijn loop hebben’, een gezonde dierenpopulatie staat voorop, antropomorfisme is taboe. Maar zij weten dat ze de steun van een breed publiek nodig hebben en dat die steun mede op ‘sentimentele’ motieven is gebaseerd. Ze weten ook dat ethologen als Frans de Waal de morele overeenkomsten tussen mensen en andere dieren steeds overtuigender documenteren. ‘Dieren zijn ook mensen’ – zo zou je de implicatie kunnen samenvatten. Dit maakt de natuurbeheerders onzeker omdat het hun taboe op antropomorfisme ondermijnt.

Ik moest bij de berichten over Marius de giraffe denken aan het prachtige boek Die Konferenz der Tiere van Erich Kästner en Walter Trier. De mensen voeren oorlog op oorlog en maken er een potje van. De dieren, onder wie Leopold de giraffe, krijgen er op goede dag genoeg van: ‘Met die mensen gaat het zo niet langer.’ Ze beleggen een conferentie – de dierenconferentie. Ze ontvoeren alle mensenkinderen en bezorgen die een geweldige tijd. En ze stellen een ultimatum aan alle volwassen mensen. Als zij hun kinderen terug willen hebben moeten ze beloven dat ze voortaan in vrede en voorspoed met elkaar zullen leven en goed voor hun kinderen zullen zorgen. Dat beloven de mensen. De kinderen gaan terug naar huis en zo komt door het optreden der dieren ten slotte alles goed. Leopold de giraffe wordt erewereldburger en krijgt een straat naar zich genoemd.

Het is een mooi verhaal. Dierenverhalen zijn zo oud als de mensheid. Ze dragen bij aan de beschaving. ‘Het fundament van iedere werkelijke moraal’, zei Henry S. Salt, ‘moet het gevoel van verwantschap zijn tussen alle levende wezens.’

Geschreven door Geert de Vries, voor Christien Brinkgreve ter gelegenheid van haar afscheid als hoogleraar aan de Universiteit Utrecht op 23 juni 2014.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opleiding Sociologie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s