Kwalitatief onderzoek in de buurt: Interacties, diversiteit en vertrouwen

manonWelke rol spelen buurtvoorzieningen in het creëren van sociaal contact en sociaal kapitaal in de buurt en thuisgevoelens van buurtbewoners? Manon van der Meer schrijft hierover naar aanleiding van haar bachelorthesisonderzoek naar sociale interacties, diversiteit en vertrouwen binnen een kleine buurt in een grote stad.

Een kleine buurt in een grote stad: de plek die de context vormde voor mijn scriptieonderzoek. In iets meer dan twee weken in april heb ik zeventien buurtbewoners geïnterviewd om uiteindelijk iets te leren over de rol die buurtvoorzieningen (zoals winkels, moskeeën, speelplekken en de basisschool) spelen in het sociaal contact, sociaal kapitaal en thuisgevoel van buurtbewoners. Uiteindelijk, want voordat je je ingebonden scriptie in handen hebt, moeten de interviews eerst nog worden getranscribeerd en gecodeerd. Vraag me niet meer hoe ik die taken heb volbracht, maar het is me gelukt. Kwalitatief onderzoek is hard werken, dat is iets dat zeker is. Voordat ik op de onderzoeksresultaten inga, zal ik kort verder reflecteren op het onderzoeksproces.

Ondanks het harde werk was het uitvoeren van dit onderzoek een verrijking van begin tot eind, hoe cliché het ook klinkt. Het was ten eerste gewoon ontzettend leuk om echt ‘het veld’ in te gaan en praktisch bezig te zijn, in plaats van te werken in een dataset met allemaal getalletjes. Voor mij betekende dit dat het onderzoek echt tot leven kwam. Daarbij komt dat dit het eerste onderzoek is dat ik zelfstandig uit heb gevoerd van begin tot einde, iets dat het ook spannend en erg leerzaam heeft gemaakt. Bovendien heb ik echt met mensen gesproken. Dit is een extra drempel die je overgaat en je sociale vaardigheden worden op de proef gesteld, evenals je integriteit als wetenschappelijk onderzoeker. Daarbij is vertrouwen erg belangrijk: mijn onderzoek heeft ontzettend geprofiteerd van een gate keeper (in mijn geval de buurtbeheerder van een woningbouwcorporatie) die toegang gaf tot de buurtbewoners die ik geïnterviewd heb en die een soort garantie gaf dat men mij kon vertrouwen. Zonder de gate keeper had ik deze buurtbewoners nooit gesproken en hun verhalen nooit mogen horen. Het was dan ook een bijzondere ervaring om deze mensen te mogen spreken in hun eigen woning en zo een uniek inkijkje in hun leven te krijgen.

In de tijd dat ik in de buurt aanwezig was, maakte ik de meest uiteenlopende dingen mee. Zo woonde een mevrouw praktisch in een museum: overal zag je antiek, beeldjes en knuffels en de hele koelkast zat onder de magneten die waren meegenomen vanuit alle hoeken van de wereld. Een meneer liet mij een heel stapeltje foto’s van vroeger zien, evenals een van de vele olifantenbeeldjes die hij verzamelde (en die hij uit enthousiasme op de grond liet vallen). Het huis van een andere meneer was vergeven van de geur van verbrand plastic en een andere mevrouw had zichzelf per ongeluk buitengesloten, waardoor de buurtbeheerder de deur moest openbreken. Ondertussen schreeuwde de vrouw met oorverdovend volume tegen haar niets doorhebbende dementerende moeder, die aan de andere kant van de deur in de woonkamer zat. Frustrerend is wanneer sommige van je e-mails totaal genegeerd worden, of wanneer iemand niet komt opdagen terwijl jij om zes uur je bed uit bent gegaan om op tijd te komen. Dat je bij iemand anders vervolgens versgemaakt Turks brood voorgeschoteld krijgt, maakt wel weer veel goed.

Wat hebben de buurtbewoners mij nu verteld over buurtvoorzieningen en sociaal contact, sociaal kapitaal en thuisgevoel? Bij sociaal kapitaal moet overigens gedacht worden aan sociaal contact, wederkerigheid, vertrouwen, normen, waarden en sociale controle, organisatiegraad en de hulpbronnen die daaruit voortvloeien (zie Kleinhans, 2005). Allereerst werd duidelijk dat sociaal contact in de buurt en buurtvoorzieningen over het algemeen van oppervlakkige aard is en dat buurtbewoners geen behoefte hebben om daar iets aan te veranderen. Buurtvoorzieningen faciliteren de oppervlakkige interacties tussen buurtbewoners en zorgen ervoor dat buurtbewoners elkaar vaker ontmoeten dan in een buurt zonder voorzieningen. Doordat bewoners elkaar herhaaldelijk ontmoeten, zoals moeders die elke ochtend hun kinderen naar de basisschool in de buurt brengen, ontstaat er een zekere mate van publieke familiariteit: buurtbewoners gaven aan heel wat andere bewoners te herkennen. Overigens betekent dit niet dat er geen hechter contact plaatsvindt binnen voorzieningen, zoals op speelplekken waar moeders samenkomen met hun kinderen of in de moskeeën in de buurt.

Echter, veel sociaal contact in buurtvoorzieningen is niet interetnisch van aard, hoewel buurtbewoners van verschillende etnische komaf elkaar natuurlijk wel tegenkomen en elkaar kunnen observeren in bijvoorbeeld de supermarkt. Veel buurtbewoners, zowel autochtonen als allochtonen, gaven aan dat zij het graag anders zouden zien. De taalbarrière speelt volgens zowel allochtone als autochtone bewoners een rol. Ook sommige buurtvoorzieningen dragen bij aan etnisch gescheiden contact, doordat ze voornamelijk allochtone bewoners aantrekken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de al hiervoor genoemde moskeeën. Hetzelfde gebeurt bij Turkse groenteboeren. Toch hoeft het niet aan de specifieke aard van de voorziening te liggen, zoals bij speelplekken: volgens sommige allochtone moeders komen autochtone moeders expres niet met hun kinderen wanneer er al allochtone kinderen spelen onder toeziend oog van hun moeders. Overigens zijn er ook scheidslijnen tussen bijvoorbeeld Turkse en Marokkaanse moeders wanneer zij ’s ochtends koffie drinken in de aula van de basisschool in de buurt. Ondanks dat het sociaal contact in buurtvoorzieningen over het algemeen niet interetnisch van aard is, zorgt het volgens vrijwel elke buurtbewoner er wel voor dat het wonen in de buurt fijn is, een vorm van sociaal kapitaal (prettig sociaal woonklimaat). Daarnaast geeft het contact sommige buurtbewoners een thuis- en veiligheidsgevoel. Tot slot kwam naar voren dat de school en moskeeën in de buurt plekken zijn waar nieuwe verbindingen tussen buurtbewoners ontstaan, verbindingen die vervolgens hulpbronnen als emotionele steun en advies met zich meebrengen.

Hoewel buurtvoorzieningen dus zeker een aardig grote rol spelen in het bieden van platforms voor sociaal contact, kwam in mijn onderzoek het burencontact ook sterk naar voren. Dit contact kan erg hecht zijn, zelfs soms omschreven in termen van ‘familie.’ Zo heb ik drie buren geïnterviewd, waarbij het leuk was om te zien hoe zij afzonderlijk betekenis gaven aan het contact en de band die zij hebben. Uit het hechte contact dat zij hebben vloeit sociaal kapitaal voort in de vorm van hulpbronnen, zoals emotionele steun. Het geeft eveneens een mate van sociale controle: er wordt op elkaar gelet en buren trekken aan de bel wanneer er iets niet in de haak is. Zo vertelde een buurtbewoonster dat er acht politiemannen in haar huiskamer stonden omdat de buren in de straat dachten dat er ingebroken werd. Een interessante bevinding was dat, ondanks positief burencontact, culturele grenzen toch in stand worden gehouden. Zo werden bepaalde diensten van buren in verband gebracht met hun etnische afkomst. Een buurtbewoner met Marokkaans-Nederlandse buren had ook positief contact, maar daar vloeiden geen hulpbronnen uit voort. Cultuur werd hierbij overduidelijk als de grootste belemmering aangegeven.

Vertrouwen, een van de onderdelen van sociaal kapitaal, is een lastigere kwestie, aangezien het verschillende invullingen kreeg naargelang het expliciet of impliciet aan de orde kwam in de interviews. Veel buurtbewoners gaven aan alleen hun buren te vertrouwen, wanneer direct naar vertrouwen werd gevraagd tijdens de interviews. Toch betekent dit niet dat er geen vertrouwen in andere buurtbewoners is. De aanwezige publieke familiariteit, die door sociale interacties in onder andere buurtvoorzieningen wordt bewerkstelligd, brengt namelijk wel voorspelbaarheid voort en bekende gezichten worden door een paar bewoners in verband gebracht met een vertrouwd gevoel. Buurtbewoners zijn voorzichtig met andere bewoners die zij niet van gezicht kennen (zoals ik zonder mijn gate keeper), hoewel één buurtbewoner aangaf dat hij zelfs op zijn hoede is met anderen die hij wel van gezicht kent, bijvoorbeeld andere buurtbewoners die ook de moskee bezoeken. Bovendien vindt een groot deel van de buurtbewoners dat men tegenwoordig minder rekening met elkaar houdt. Een opvallend resultaat is dat veel oudere (autochtone) Nederlandse buurtbewoners die al lang in de buurt wonen, een verminderd sociaal vertrouwen hebben: zij hebben hun buurt zien veranderen doordat er veel ‘buitenlanders’ zijn komen wonen. Voor hen is het niet meer de ‘oude vertrouwde’ buurt van ‘vroeger.’ Een aantal buurtvoorzieningen weerspiegelt deze verandering doordat ze voorzieningen meer zijn toegespitst op deze laatste bewoners. Interessant is dat de conflicttheorie hier ook terug kon worden gezien, bijvoorbeeld in de vorm van ervaren competitie op de woningmarkt. De conflicttheorie houdt namelijk in dat bewoners zich bedreigd voelen door de aanwezigheid van andere etnische groepen op bijvoorbeeld de arbeids- of woningmarkt, hoewel het gevoel van competitie niet noodzakelijk is (Gijsbert, Vervoort, Havekes & Dagevos, 2010; Savelkoul, 2011). Het verminderde sociaal vertrouwen kreeg bij sommige bewoners dus ook sociaaleconomische invulling, waarbij door een van hen werd gewezen op verpaupering doordat veel allochtone buurtbewoners ‘uitkeringstrekkers’ zijn. De komst van meer yuppen werd door deze bewoner als een positieve ontwikkeling gezien, terwijl het bij anderen juist bijdraagt aan een gevoel van vervreemding van de buurt en een verminderd thuisgevoel. Zo woont een mevrouw alleen nog in de buurt vanwege haar fijne woning en niet zozeer omdat ze de buurt zo leuk vindt. Daarentegen heeft ze wel nog een behoorlijk sterke emotionele binding, maar dan meer met de buurt zoals die vroeger was en omdat ze al jaren in de buurt woont.

Wat betreft thuisgevoel was opmerkelijk dat alle buurtbewoners aangaven zich thuis te voelen in de buurt, waarbij er ten eerste sprake was van zowel de zojuist genoemde emotionele binding met de buurt vanwege een lange woonduur. Veel buurtbewoners hadden het gevoel dat ze in de buurt ‘horen.’ Ten tweede had het thuisgevoel een sociale dimensie, in de zin dat contact met andere buurtbewoners in onder andere buurtvoorzieningen en het ‘bekend zijn’ met anderen bijdroeg aan het thuisvoelen in de buurt. Opvallend was dat vrijwel iedereen een contrast maakte met een plek waar thuisgevoel ontbrak, waarbij levendigheid een belangrijke rol speelde: vrijwel altijd werd de eigen buurt vergeleken met plek die stiller of saaier was in de ogen van de buurtbewoners (zoals het ‘boerenland’). Uit dit onderzoek blijkt dat buurtvoorzieningen bijdragen aan het thuisgevoel doordat zij voor woonplezier van buurtbewoners zorgen. Buurtbewoners zijn van alle gemakken voorzien en kunnen bijvoorbeeld snel en gemakkelijk boodschappen doen. Dat ‘alles dichtbij’ is, werd door vrijwel alle geïnterviewden genoemd. Daarnaast kwam al eerder in dit stuk aan bod dat het sociaal contact binnen buurtvoorzieningen voor sommige bewoners zorgt voor een thuisgevoel. Voorzieningen in de buurt spelen dus wel degelijk een rol in het thuisgevoel van buurtbewoners.

Samenvattend spelen buurtvoorzieningen een behoorlijk grote rol in sociaal contact in de buurt, evenals in het thuisgevoel van buurtbewoners. Zonder de voorzieningen zou er zeker minder sociaal contact zijn en bovendien zou dan het thuisgevoel van bewoners gedeeltelijk aangetast worden door de verminderde levendigheid van de buurt. De (indirecte) rol van voorzieningen in sociaal kapitaal is kleiner en minder tastbaar, in tegenstelling tot bij bijvoorbeeld burencontact waarbij hulpbronnen als wederzijdse diensten (bijvoorbeeld het bekende kopje suiker) heel concreet zijn. Desalniettemin mag het belang van publieke familiariteit en een fijn sociaal woonklimaat niet onderschat worden, aangezien deze twee mede het woonplezier van buurtbewoners bepalen. In het kader van de participatiemaatschappij is het wel van belang om aan te geven dat buurtvoorzieningen waar minder ‘vluchtig’ contact plaatsvinden, zoals buurtcentra, nodig blijven voor de structurele opbouw van sociaal kapitaal.

Bronnen:

Gijsberts, M., Vervoort, M., Havekes, E., & Dagevos, J. (2010). Maakt de buurt verschil? De relatie tussen de etnische samenstelling van de buurt, interetnisch contact en wederzijdse beeldvorming. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Kleinhans, R.J. (2005). Sociale implicaties van herstructurering en herhuisvesting. (Proefschrift, Technische Universiteit Delft, Delft).

Savelkoul, M. (2011). Etnische diversiteit en sociaal kapitaal. De rol van interetnisch contact en ervaren etnische groepsdreiging. Migrantenstudies, 2, 195-204.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De multiculturele samenleving, Opleiding Sociologie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s