Opstand in de Islamitische Republiek

jeroenHoe ontwikkelen protesten zich in Iran? Student-fellow Jeroen Voerknecht onderzocht voor zijn premasterthesis wat de effecten van motieven op deelname aan protesten in Iran zijn en in hoeverre deze worden beïnvloed door repressie.

In 2013 ben ik met de premaster Sociologie begonnen, en na de vakken Moderne Samenlevingen, M&T van kwalitatief organisatie onderzoek en BIS gevolgd te hebben, was het in april van dit jaar tijd voor het laatste vak: de premasterthesis. Van te voren kregen we een aantal thema’s voorgelegd van waaruit we een keuze voor ons onderzoek konden maken. Deze thema’s waren zeer divers en liepen uiteen van vrijwilligerswerk onder ouderen tot de gevolgen van parttime werken en van eenzaamheid tot protest participatie in Iran. Omdat ik al langer in Iran geïnteresseerd was en ik de protesten die in 2009 ontstonden met veel belangstelling gevolgd heb, lag het voor mij voor de hand om dit onderwerp te kiezen. Voordat ik mijn onderzoeksaanpak en –resultaten bespreek, is het nodig een kleine stap terug in de tijd te doen en te kijken naar de situatie in Iran zoals die vijf jaar geleden was.

De Iraanse presidentsverkiezingen van 2009 gingen namelijk gepaard met hevige protesten en vormden een keerpunt in de geschiedenis van de Islamitische Republiek (Sohrabi, 2012). Aanleiding voor deze protesten vormde de, in de ogen van de reformisten, fraudeleus verlopen verkiezingen. Hierbij werd de conservatieve presidentskandidaat Ahmadinejad met meer dan 63% van de stemmen herkozen, ten koste van de oppositiekandidaten Mir Hossein Mousavi en Mehdi Karrubi (Mahdavi, 2013). Veel aanhangers van het reformisme zagen de fraude als een duidelijk einde aan de mogelijkheid tot het nastreven van verandering via de bestaande instellingen van de Islamitische Republiek. Onder de naam de ‘Green Movement’ gingen teleurgestelde burgers de straten van Teheran op en zorgden voor de grootste oppositionele demonstraties sinds de revolutie van 1979 (Dabashi, 2011; Kadivar, 2013). In de eerste fase van de protestgolf vroegen de demonstraten om de nietigverklaring van Ahmadinejad’s herverkiezing en nieuwe verkiezingen. Het regime probeerde door zware repressie de Green Movement het zwijgen op te leggen en de coördinatie tussen dissidenten te blokkeren. Dit geschiedde onder meer door het vasthouden van politieke en sociale activisten, het vernietigen van de organisaties van de oppositie en het dwarsbomen van hun mobilisatie pogingen, het onderdrukken of censureren van kranten en het vertragen van internet- en mobiele telefoon verbindingen (Honari, 2012). Door de hardhandige onderdrukking van de protesten, verhardden de eisen van de Green Movement tot de val van het regime (Kadivar, 2013). Terwijl het regime de repressie handhaafde, varieerden in de jaren tussen de verkiezingen van 2009 en die van 2013 de vorm en mate van participatie in protesten sterk. De massale protesten waarbij honderdduizenden Iraniërs de straten opgingen, werden gevolgd door een periode waarin het internet een belangrijke rol voor online protest innam. Na het huisarrest van enkele leiders van de Green Movement in 2011, namen zowel de offline als de online activiteiten af, om in de aanloop naar de verkiezingen van 2013 weer sterk toe te nemen.

Ik vond het interessant om te zien hoe de protesten in Iran zich ontwikkelden en wilde graag weten uit welke motieven de demonstranten handelden en wat het effect van repressie was. Ik ben daarom begonnen met een literatuuronderzoek om te zien wat protest is, welke stappen tot deelname aan protest leiden en welke vormen van repressie te onderscheiden zijn. Protest is een vorm van collectieve actie en tegelijkertijd een vorm van participatie in een sociale beweging (van Stekelenburg & Klandermans, 2010). Volgens Klandermans en Oegema (1987) bestaat het proces om in een sociale beweging te participeren uit vier stappen, namelijk: [1] deel uitmaken van het mobilisatie potentieel, [2] doel worden van mobilisatie pogingen, [3] gemotiveerd raken om deel te nemen, en [4] het overwinnen van barrières om deel te nemen. In mijn onderzoek maakten de Iraanse demonstranten reeds deel uit van het mobilisatiepotentieel en waren ze al doel van mobilisatiepogingen (de eerste twee stappen uit het hiervoor genoemde model). Ik heb daarom gefocust op de motieven (derde stap) en de mogelijke barrière die repressie voor demonstranten vormt (vierde stap). Klandermans en van Stekelenburg (2007) onderscheiden vier motieven voor protest participatie. Ten eerste is er het instrumentele motief waarbij mensen aan een collectieve actie deelnemen omdat ze het zien als een kans om tegen redelijke kosten een verandering teweeg te brengen. Ten tweede het identiteitsmotief dat de identificatie met andere betrokkenen inhoudt. Ten derde het groeps-gebaseerde woedemotief dat het reguleren van emoties behelst. Ten slotte het ideologische motief dat bestaat uit deelname om bepaalde opvattingen en gevoelens te uiten. Hoewel de in de literatuur gegeven definities van repressie tamelijk uiteen lopen, heb ik repressie beschouwd als alle offline- en online vormen van gepercipieerde tegenwerking vanuit het Iraanse regime die het voor demonstranten moeilijker of onmogelijk maakte om deel te nemen aan offline- en online vormen van protest. Na het literatuuronderzoek kwam ik tot het onderstaande conceptuele model:

conc

Hierbij veronderstelde ik dat de vier motieven en participatie in online protest een positief effect op participatie in offline protest zouden hebben. Vervolgens wilde ik kijken hoe offline- en online repressie dat effect verandert. Mijn uiteindelijke onderzoeksvraag luidde: Hoe sterk zijn de effecten van motieven en online protest participatie op offline protest participatie en hoe veranderen offline- en online repressie deze effecten?

Tijdens de premasterthesis hoefden we zelf geen data te vergaren, maar dienden we gebruik te maken van bestaande data. In mijn geval mocht ik gebruik maken van de zeer uitgebreide dataset van VU promovendus Ali Honari, die in 2013 een driedelige online survey onder Iraanse demonstranten heeft gehouden. In dat survey is aan de respondenten gevraagd naar de protest activiteiten die ze ondernomen hebben, motieven waaruit ze gehandeld hebben en vormen van repressie waarmee ze geconfronteerd zijn. Om offline protest activiteiten te meten, is aan de respondenten onder meer gevraagd hoe vaak ze deel hebben genomen aan boycots, stakingen en straatdemonstraties. In het geval van online protest activiteiten behoorden onder andere het tekenen van een online petitie, het liken van een Facebook pagina en het hacken van een website tot de antwoordmogelijkheden. Repressie is gemeten door te vragen hoe waarschijnlijk men het acht dat mensen die politiek actief zijn met bedreigingen geconfronteerd zullen worden, waarbij de bedreigingen varieerden van e-mails die onderschept worden (online repressie) tot gearresteerd of vastgehouden worden (offline repressie).

Om vervolgens antwoord te geven op mijn onderzoeksvraag, heb ik bivariate- en multivariate regressieanalyses uitgevoerd. Daar waar de bivariate regressieanalyse liet zien dat online protest participatie, het instrumentele motief en het identiteitsmotief ieder afzonderlijk een positief effect op offline protest participatie hebben, toonden de multivariate regressies heel andere resultaten. Uit de multivariate regressieanalyse kwam namelijk naar voren dat niet langer het instrumentele- en identiteitsmotief een positief effect hebben, maar het ideologische motief. Ook bleek dat offline repressie ervoor zorgt dat de relatie tussen online- en offline protest participatie versterkt wordt. Het deel van de variantie dat in de bivariate regressie door het instrumentele- en identiteitsmotief wordt verklaard, wordt in de multivariate regressie door online participatie verklaard. Het is echter aannemelijk dat online protest participatie geen oorzaak van offline protest participatie is, maar dat beide participatievormen worden veroorzaakt door andere variabelen. Hieronder vallen de vier motieven, maar ook door andere factoren buiten mijn conceptuele model. Hierdoor zou sprake zijn van een schijnverband tussen online protest participatie en offline protest participatie. De conclusie van mijn onderzoek is daarom als volgt: van alle motieven zorgden ideologische motieven van demonstranten het sterkst voor hun deelname in offline protest. Daarnaast heeft online protest participatie een positief effect op offline protest participatie, waarbij opgemerkt dient te worden dat er mogelijk een spurieus verband tussen online protest participatie en offline protest participatie heerst. Ten slotte zorgt offline repressie ervoor dat de relatie tussen online protest participatie en offline protest participatie versterkt wordt.

Voor mij was het de eerste keer dat ik een dergelijk onderzoek verrichtte, en het proces van een onderzoeksvraag formuleren, literatuur verzamelen, een theoretisch kader schrijven, data operationaliseren en analyseren en uitkomsten interpreteren heb ik als zeer leerzaam ervaren. Door dit onderzoek is mijn interesse voor protest en Iran verder gegroeid en in mijn masterthesis-onderzoek ga ik verder met dit onderwerp. Dit keer zal ik onderzoeken in welke mate variërende vormen van repressie de tactieken en protest activiteiten van de Green Movement veranderd hebben.

Geschreven door: Jeroen Voerknecht

Bronnen:

Dabashi, H. (2011). The green movement in Iran. New Brunswick: Transaction Publishers.

Honari, A. (2012). From Virtual to Tangible Social Movements in Iran. In P. Aarts, & F. Cavatorta (red.), Civil society in Syria and Iran: Activism in authoritarian contexts   (pp. 143-167). Boulder: Lynne Rienner Publishers.

Kadivar, M, A. (22 juni 2013). A New Oppositional Politics: The Campaign Participants in Iran’s 2013 Presidential Election. Geraadpleegd op 11 april 2014, via   http://www.jadaliyya.com     /pages/index/12383/a-new-oppositional-politics_the-campaign-participa

Klandermans, B., & Oegema, D. (1987). Potentials, networks, motivations, and barriers: Steps towards participation in social movements. American Sociological Review, 52, 519- 531. doi:10.2307/2095297.

Mahdavi, S.H. (2013). Can Iran Surprise by Holding a “Healthy” Election in June? Middle East Brief, 73, 1-10.

Sohrabi, N. (2012). Reading the Tea Leaves: Iranian Domestic Politics and the Presidential Election of 2013. Middle East Brief, 65, 1-8.

Van Stekelenburg, J., & Klandermans, B. (2007). Individuals in movements: A social psychology of contention. In B. Klandermans & C. M. Roggeband (red), The             handbook of social movements across disciplines (pp. 157 – 204). New York:     Springer.

Van Stekelenburg, J., & Klandermans, B. (2010). The social psychology of protest. Sociopedia.isa (e-journal), 1-13.

 

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De actieve burger, Opleiding Sociologie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s